demonstratie bij Capitol Hill tegen health care wet van Obama: die heeft het zwaar tegen deze fanatieke tegenstanders die een aanzienlijk deel van de amerikaanse bevolking uit maken. Foto uit de mooie reportage van mijn neef George Cassutto, een Obama fan.
Voor facebook friends zie de andere 96 foto’s van deze demonstratie.

Advertenties

Geef een reactie

De reis van de prins

Met een diepe kreun draaiden de poortdeuren langzaam in hun scharnieren en sloegen toen met een doffe dreun dicht. De grote reiskoets, bovenop beladen met manden en valiezen, had het paleis voor een lange tocht verlaten; het gezantschap was op weg. Binnen in de koets zat de prins, één van de vele zonen en dochters, die door de koning naar alle richtingen waren uitgezonden om een boodschap van de koning aan de provincies over te brengen en berichten uit die provincies terug te brengen. Voor iedere provincie was de boodschap speciaal door de koning vormgegeven. Voor de provincie waar de prins naar op reis ging – een provincie aan de rand van het rijk, achter vele horizonnen – had de koning een lied gecomponeerd, een lied op hartveroverende melodie en met wel tweeënzeventig coupletten, waarin de Koninklijke zegen werd uitgezongen en waarin allerlei belangrijke Koninklijke raadslagen verdicht waren. De prins had het lied met uitzonderlijke ijver ingestudeerd.

Op de lederen kussens van het rijtuig zat de jonge man, een knaap bijna nog, slank, goed gebouwd, met fijn besneden gezicht, Op de bok zat naast de koetsier de kapitein, die samen met de twee dragonders die naast de koets reden, de prins moesten beschermen tegen rovers en ander gespuis. De kapitein, een stevige wat grove kerel, was speciaal om reden van zijn hoge plicht van sergeant tot kapitein bevorderd. O ja, achterop de koets zat ook nog de geheimschrijver van de prins. De geheimschrijver was een klein manneke met een groot uitgevallen hoofd. Je zou hem een dwerg kunnen noemen. Zijn bovenmatig groot uitgevallen oren en ogen sugereerden zijn taak: goed waar te nemen en de kronieken van deze lange tocht bij te houden in zijn journaal. Dank zij hem kan ik u iets van de belevenissen op deze lange tocht verhalen.

De eerste weken van de lange reis verliepen voorspoedig. De wegen waren goed begaanbaar. Het verblijf in de herbergen, waar het gezelschap overnachtte, was plezierig. ‘s-Avonds waren de maaltijden gelardeerd met uitgelezen wijn, scherts en stoere verhalen van de dragonders; na de maaltijd schreef de geheimschrijver schreef zijn dagelijkse kroniek en trokken de kapitein en de prins hun plan voor de volgende dag, de landkaarten voor zich uitgespreid op tafel. ‘s-Ochtends zong de prins zijn tweeënzeventig coupletten op de hartveroverende melodie om het maar niet te vergeten en nadat de paarden waren ingespannen trokken ze naar de volgende pleisterplaats. Al spoedig miste de prins het goede leven in het paleis niet meer zo zeer en het was alsof hij nooit anders gedaan had dan voorthobbelen in een reiskoets.

Na ongeveer een maand kwamen ze in onherbergzame streken. De kaarten bleken niet echt betrouwbaar. De koets liep herhaaldelijk vast op de modderige heerwegen en het hele gezelschap moest duwen en sjorren om de wagen uit de zuigende modder te bevrijden en weer vooruit te helpen. De koetsier vloekte en de twee soldaten mopperden en klaagden over hun karig loon. Steeds schaarser werden de herbergen en niet zelden moesten ze ravitailleren in ongure gehuchten en een sobere maaltijd klaarmaken op een kampvuur. Ze reden door bossen, waar achter struiken en bomen rovers loerden op hun kans en het was al een paar keer voorgekomen, dat de kapitein en de twee dragonders met pittige schermutselingen een paar onverlaten met snode plannen hadden afgeslagen, toen in de vallende avond met veel geschreeuw een grotere overval plaatsvond.

De kapitein sprong van de bok met getrokken degen, de prins stormde naar buiten met zijn dolk in de hand. In het donker kon hij de grove gestalten van de bandieten amper onderscheiden. Opeens voelde hij een scherpe haal over zijn linkerzijde. De kapitein vatte hem om zijn borst, opende de deur van de koets, duwde hem naar binnen en siste hem toe:
– blijf binnen, laat het aan ons over.
Na een kort wapengekletter en luid geroep over en weer deed de kapitein de koetsdeur weer open en haalde onder de zitting met de fluwelen kussens, waarop de prins bevend zat, de kist tevoorschijn met gouden daalders en verdween weer. Even later was hij weer terug.
– Afgekocht, zei hij tegen de prins. De doortocht is verzekerd. Blijft u maar in de koets, dat is veiliger. Het is beter als ik voortaan het bevel heb.
De prins viel in de kussens en kreunde van pijn. De koetsier, die vroeger hospik was geweest, verzorgde de wond en legde een verband om zijn borst. En tot verbazing van de prins vergrendelde hij de deur, toen hij klaar was.

In de weken die nu volgden besefte de prins hoe langer hoe meer, dat hij de gevangene was geworden van het gezelschap. Buiten hoorde hij de kapitein en de twee soldaten lachen, schertsen en vloeken en door het raam zag hij ze op het houtvuur de maaltijd klaarmaken en schransen, waarna ze schielijk een pannetje de koets inschoven. Dan kwam het spel kaarten voor de dag en de flacons met brandewijn. Soms zag hij ‘s-avonds de schim van een vrouw die kirrend en lachend door de soldaten in de struiken werd getrokken.
Als de prins naar de kleine geheimschrijver gebaarde haalde deze hulpeloos de schouders op. Het ging van kwaad tot erger. De wond in zijn zij genas niet goed. De prins werd ziek, hoge koorts gaven hem een blos, eetlust verging hem, hij zong niet meer, maar ijlde ‘s-avonds op grillige tonen warrige woorden, steeds meer kwelden hem pijnen in de zij en op de borst. In hoog tempo viel hij af en als een schim van zichzelf lag hij slap in de kussens. Na verloop van tijd vergaten de aangeschoten mannen hem wel eens en kreeg hij dagen geen eten en drinken. Dan sloeg hij op de ruit en rammelden aan de deur en als de trouweloze mannen zin hadden schoven ze een karige korst en een kruik met een bodempje verschaald water de karos in. De kapitein dacht:
– Wat moet ik nou aan met zo’n prins, ik moet hem nog een godganse reis lang erdoorheen slepen, voor hem zorgen, voeden, z’n wond verbinden, z’n kleren wassen, mijn leven voor hem wagen, hij hoeft alleen te zitten en straks als we aankomen krijgt hij alle aandacht en wordt in de watten gelegd.

Intussen had het reisgezelschap het uitgestrekte steppengebied bereikt.
De koetsier was teruggestuurd, de koets was ingeruild voor ezels die zwaar bepakt voortsjokten. Het karavanserai verdween achter de horizon en een immens gebied zonder pleisterplaatsen lag voor hen. De prins lag half over een van de ezels heen.
Toen brak er een zandstorm los. Snerpende en gierende windvlagen tolden om de groep reizigers, een ondoordringbare gele mist omhulde de ezels en de mannen. Ze verloren elkaar uit het oog en ieder probeerde voor zich een plek te vinden die nog enige beschutting bood tegen het striemende zand.
Toen de storm bedaard was vonden de kapitein, het schrijvertje en de twee soldaten elkaar terug, maar de prins was verdwenen. Ze gingen op zoek, ze speurden, ze riepen, een paar uur lang, maar vonden hem niet.
Wat ze wel vonden was, half onder het zand, de goudbestikte mantel van de verdwenen jongen en even verder zijn karmozijnen baret.
Zwetend, afgemat, peinzend stond de kapitein met de mantel en de baret in zijn hand.
– We houden op met zoeken, riep hij naar de twee dragonders en de geheimschrijver, de prins is niet meer, de taak gaat verder.
En hij sloeg de prinselijke mantel om, zette de karmozijnen baret op zijn hoofd. Hij dacht:
– Die boodschap van de koning, die de prins iedere dag zong, die ken ik langzamerhand ook wel ongeveer, die kan ik net zo goed wel overbrengen.’

Zo is het gezelschap zonder prins verder getrokken, de steppen over, door dalen, over bergen en rivieren en wie daarover wil horen leze de kronieken van de geheimschrijver, die alles nauwkeurig heeft geboekstaafd.
De kapitein is uiteindelijk na negen maanden ontbering in de provinciehoofdstad aangekomen, waar hij door de gouverneur en het stadsbestuur in vol ornaat werd ontvangen. De kapitein had de prinsenmantel om en de prinsenbaret op het hoofd, daarom heeft hij maar gezegd, dat híj de prins was.
Hij heeft het lied van de koning gezongen, maar wat was er van overgebleven…. Naar de melodie heeft hij maar een slag geslagen op grond van wat hij de prins heeft horen zingen. De helft van de coupletten had hij helemaal vergeten en de andere helft had hij met moeite uit zijn herinnering aan de dagelijkse prinselijke ochtendrecitals teruggehaald en kwam verknipt en verbrokkeld uit zijn schorre keel. Er is toen maar onmiddellijk een commissie van wijze mannen ingesteld om de verzen te bestuderen en een uitleg te geven.
De kapitein heeft er nog een couplet bij verzonnen, waarin hij met barse stem zong, dat de koning hem tot gouverneur van de provincie had benoemd. Op zijn beurt benoemde de kapitein, die nu gouverneur was, de ene dragonder tot politiechef en de andere, die ervaring had opgedaan bij de genietroepen tot stadsarchitekt. De zelfbenoemde gouverneur vertrouwde de onpeilbare geheimschrijver niet en legde hem op straffe des doods een zwijgplicht op. Omdat hij goed kon rekenen werd de kleine man wel benoemd tot schatkistbewaarder.

Vele vele jaren waren verstreken in de provinciehoofdstad, toen de inmiddels vergrijsde geheimschrijver eens over de markt liep en tussen het geroezemoes van de menigte en het gekrakeel van de marktkooplui door een vreemde fascinerende melodie hoorde, waarin fasen te beluisteren waren van verlangen, diepe smart en hoogste vreugde. De melodie raakte hem zeer en zij kwam hem bekend voor. Hij ging op zoek naar wie deze verrukkelijke en zo vreemd vertouwde tonen voortbracht en hij kwam uit bij een sjofele oude bedelaar, die op een hoek van het marktplein op een concertina speelde.
Hij kon zijn ogen niet geloven; het moest de prins zijn, zijn gelaatstrekken waren achter de getaande huid en de gerimpelde voorhoofd onmiskenbaar.
Hij nodigde de concertinaspeler bij zich uit en troonde de man mee naar zijn huis.
De man ontkende iets van een prins te weten, laat staan dat hij er een was.
Wel moest hij erkennen dat zijn afkomst in mist versluierd was.
– Mijn leven begon eigenlijk, toen ik mijn ogen opsloeg in een tent. Ik was een jongen nog en ernstig ziek en verzwakt. De nomaden, die mij hadden gevonden in de woestijn zeiden dat ik op sterven na dood was. Ik kon me niets meer herinneren, niet wat er gebeurd was en niet waar ik vandaan kwam. Wel duidt een groot litteken in mijn zij op een gewelddadige geschiedenis. Langzamerhand werd ik beter en trok met de nomaden mee. Ik bouwde er een leven op, ik trouwde een vrouw, de beste plekken voor mijn kudde vond ik, een kundig tentenmaker ben ik geworden. Maar gelukkig was ik niet. In mijn hoofd hoorde ik steeds een melodie, die aan mij trok. Ik leerde spelen op de trekzak en speelde de melodie steeds beter. De melodie zei me dat ik verder moest trekken, afscheid nemen van het steppenvolk. Dat deed ik en de concertina wees mij de weg. Zo kwam ik na vele jaren van omzwerving in deze stad.
De geheimschrijver haalde uit een kast een boek, zijn kronieken.
– Lees dit boek, het zal u veel duidelijk maken. U kunt bij mij logeren. Later spreken we verder.
Met hulp van het boek en de verklaringen van de geheimschrijver kreeg de intussen bejaarde muzikant zijn verleden terug, zijn prinselijk verleden en zijn bestemming: het grote lied met de tweeënzeventig coupletten te zingen.
– Het lied is dus nog niet gezongen…

De geheimschrijver praatte de prins bij over wat er allemaal na de aankomst van het gezantschap in de provincie was gebeurd. De kapitein had een verwarde en te korte versie van het lied van de koning gezongen en een genootschap van geleerden werd ingesteld, die zou moeten uitzoeken hoe de juiste uitleg van de gezongen strofen zou moeten luiden en welke gevolgtrekkingen daaruit afgeleid moesten worden voor burgers en bestuur van stad en provincie.

Bijvoorbeeld was de wateroverlast van de grote rivier, waar de stad aan lag, een belangrijke misstand, waar wat aan gedaan moest worden.
Zo werd niet lang na de aankomst van het gezantschap van de koning besloten om in het binnenland, hogerop de rivier, dammen in de rivier aan te leggen. Dat gebeurde en aanvankelijk leek het succes de verwachtingen te overtreffen.
De wateroverlast voor de hoofdstad verdween. De energie van het ontstane stuwmeer werd ingenieus gebruikt. Watermolens gaven energie aan de nijverheid in stad en land, aan spinnerijen, touwslagerijen, kuiperijen enzovoort. De haven kwam tot bloei. De stad groeide en breidde zich uit. Dat was jaren geleden.
Intussen, zo vertelde de geheimschrijver, was de aanvankelijk zo welvarende hoofdstad, waarvan de torens trots in hoogte staken, waar handel en nijverheid eens bloeiden en waar eens de haven gonsde van activiteit in verval geraakt. De fundamenten van de torens en de huizen waren aan het verzakken. Huizen liepen gevaar, vele waren ingestort en puinhopen versperden de wegen. De haven was verlopen, de riolen verstopt, het drinkwater schaars. Ratten en muggen plaagden de inwoners en maakten hen ziek.
De oorzaak lag hierin, dat de rivier was verdroogd en verzand. Dat kwam dus vanwege die dammen die de stadsarchitect hogerop in de rivier had aangelegd, maar nu was die grote onstuimige rivier verworden tot een miezerig stroompje. Het had uiteindelijk te maken met een versregel uit het lied van de koning. De commissie van geleerdenhadden de versregel uit één van de tweeënzeventig coupletten, aldus uitgelegd:
“Dammen beletten de stroom, op deze wijze komt heden de redding”
zou wijzen op de noodzaak dammen in de rivier te bouwen.
– Maar zo ging die regel helemaal niet! riep de prins, Hij luidde:
“Dommen beletten de stroom, maar wijzen verbreden de bedding”

En opeens kwam het helemaal terug in zijn gekwelde brein, het lied, en een voor een kwamen de tweeënzeventig coupletten als vogels in zijn geest teruggevlogen en nestelden zich op de juiste plek in de veeltakkige melodie. En toen bleek hoeveel rampen het destijds verminkte en misverstane lied had veroorzaakt. Vele verzen waren volstrekt verkeerd weergegeven en dus ook totaal verkeerd geïnterpreteerd om naar maar te zwijgen van coupletten, die helemaal weggelaten waren. Verkeerde uitleggingen hadden geleid tot verkeerde beslissingen met catastrofale gevolgen.
– Het lied moet alsnog worden gezongen, zei de prins.
– Er moet een optreden worden georganiseerd, zei de geheimschrijver, een optreden op het centrale plein van de hoofdstad.

En zo gebeurde het, de prins zong het lied, en op ereplaatsen zat het stadsbestuur, de kapitein die nu al heel lang gouverneur was, de stadsarchitect, de politiechef, de inmiddels honderden leden van het genootschap, dat al vele rapporten hadden gepubliceerd met tekstverklaringen en verder was er het volk, duizenden burgers luisterden ademloos naar het lied, dat de prins zong, begeleid door de beurtelings diep-aardse en hoog-hemelse klanken van zijn concertina. Het was of er in de sfeer van de geteisterde stad opeens iets onzichtbaar totaal omsloeg. Toen hij klaar was hing er even een dunne stilte zwanger over het plein. Toen brak er geroezemoes los met name onder de ambstsdragers van het stadbestuur, de gouverneur incluis, en de geleerden van het genootschap. Daarna barste het gejuich van de diep geroerde massa los, dat minuten aanhield en toen dat eindelijk bedaard was zei de prins:
– Ik ben de prins, na zoveel jaar misleiding maak ik u bekend, ik ben de prins, ik ben het wettig gezag in deze provincie.
In tussen was de politiechef met handlangers het podium opgekomen; de zanger werd meteen opgepakt en in het dolhuis opgesloten.

Diezelfde week nog stak er een hevige storm op. De dammen in de rivier begaven het en het water golfde de verdroogde bedding in, wind en water spoelden de straten en de riolen schoon en namen de puinhopen en de ratten mee de kolkende rivier in op weg naar zee. Toen de wind was gaan liggen stroomde het volk samen voor het gouvernementspaleis en eisten de vrijlating van de prins, luid en dreigend belegerden ze de woning van de kapitein die ten onrechte gouverneur was geworden. Een week lang bivakkeerden duizenden op het plein voor het huis. De gouverneur boog het hoofd.
– Breng mij de prins uit het dolhuis.
Zo stonden ze even later oog in oog
– Ik heb al het mogelijke gedaan om u te beschermen, zei hij tegen de prins, ik dacht dat u dood was. Het was om bestwil van de stad en de provincie dat ik gedaan heb wat ik heb gedaan. Ik bied nu mijn ontslag aan. Treed u in mijn plaats. Bericht niet te ongunstig over mij.

Maar de prins benoemde de geheimschrijver tot nieuwe gouverneur.
Zelf besloot hij de terugreis naar de koning te aanvaarden. Er werd een reiskoets gereed gemaakt. De geheimschrijver overhandigde hem het in een kostbare cassette verpakte boek van de kronieken, dat hij tot de laatste minuut had bijgewerkt en had aangevuld met een ambtsbericht. De bejaarde prins hees zich de koets in en weg reed het rijtuig.

Met een doffe dreun sloegen de poortdeuren van de stadspoort dicht. De grote reiskoets liet de hoofdstad van de verre provincie achter zich. Vrijwel gelijktijdig draaiden met een diepe kreun de poortdeuren van het koninklijk paleis open. Van de stadspoort van de provinciehoofdstad reed de koets meteen de poort van het koninklijk paleis binnen. Door de poort reed de koets het paleis binnen en de binnenplaats op. De prins deed de koetsdeur open en stapte uit. Daar stond de koning met open armen en een glimlach om de mond.
– Welkom terug, zei hij, en omhelsde zijn zoon, een van vele kinderen die teruggekeerd was. Het leek of leeftijd van de zoon was afgegleden.
– Hier zijn de kronieken van mijn reis en het ambtsbericht over de provincie. Het was een lange reis, vader, maar de terugweg was niets.
– Ben je eigenlijk wel weggeweest, zei de vorst met een glimlach.

rob cassuto 18 maart ©Rob Cassuto                                                                    meer verhalen: http://www.casboek.nl

Geef een reactie

vragen

Is de waarheid van je verlichte ziel
• zo dichtbij dat je hem niet herkent?
• zo diep, zodat je hem niet naar waarde kan schatten?
• zo eenvoudig, zodat je hem niet kan geloven?
• zo goed, zodat je hem niet kan geloven?

Geef een reactie

afscheid

Soms kan de emotie je opeens overvallen.
Laatst had ik dat, toen ik op de televisie Joris Linsen (in zijn programma
Hello Goodbye) op Schiphol een Surinaamse familie zag interviewen, die oma wegbracht voor de vlucht naar Paramaribo. De vrouw was al heel oud, over de negentig, en nog helemaal bij de pinken. Haar gerimpelde bruine kopje werd bekroond door wit kroeshaar en haar neus werd bezeten door een bril met enorme glazen. Ze gaf nog snedige antwoorden aan de interviewer. Omringd was ze door een hele club familie, dochters, zonen, kleindochters en kleinzonen en een flink aantal achterkleinkinderen. Allemaal stonden ze in tranen om hun geliefde omaatje heen; het was duidelijk, dat ze terugging naar Suriname om daar in haar land van herkomst te sterven.
Het duurde niet lang of ik of ook mijn borst zwol van een diep verdriet, waterlanders liepen over de wangen, alsof ik mijn eigen oma zag vertrekken, voorgoed, om haar nooit meer teruig te zien.En eigenlijk was dat ook zo. Het Surinaamse omaatje leek op mijn eigen oma, de moeder van mijn moeder. Ze had ook een vrij donkere huid, bijna wit kroeshaar en grote diepbruine joodse ogen. In haar laatste jaren, toen ze bijna negentig was, had ze een bril op met sterke glazen , waarachter grote koeienogen mij trouwhartig aankeken. Sterk vermagerd, uitgemergeld, zat ze in haar leunstoel in de serre van het huis in Scheveningen, te wachten op de dood. De stoel tegenover haar was al jaren door haar man, mijn grootvader, verlaten. Af en toe kwam ik op bezoek, het was begin zeventiger jaren in de periode dat ik aan opiaten was verslaafd om onbegrepen innerlijke pijnen te verdoven; een goed deel van mijn inkomen ging daaraan op. Die bezoeken aan mijn grootmoeder waren beladen met schandalig opportunistische bedoelingen haar te bewegen mij geld te geven of te lenen. Altijd deed ze dat, want ik was haar lievelingskleinzoon.

Dat komt omdat wij samen in het jappenkamp zaten.

Wie drieën, grootmoeder, toen al om en bij de zestig, mijn moeder, amper twintig, en ik, een kleuter, zaten samen in een aantal kampen op Java. Mijn moeder moest zwaar werk doen, slavenarbeid, en werd soms dagenlang gestraft of ze lag weken in een ziekenbarak. Later zei ze tegen mij: ‘voor mij was het een geluk, dat grootmoeder bij ons was; omdat zij te oud was, werd ze door de Jap steeds ontzien, als er narigheid was. Zodoende kon ze steeds op jou passen. Daardoor heeft ze ook steeds voor jou een ander (en heviger) gevoel gehad, dan voor de andere kleinkinderen. En kon je in haar ogen geen kwaad doen’.

Die beschrijving is denk ik een understatement: in hevige momenten van angst, verbijstering, verwarring, verlating had ik toch nog altijd mijn grootmoeder, ze was de constante factor, een plaats van troost, een baken van vertrouwdheid. In het najaar van 1945 waren wij weer in Bandung teruggekeerd, grootmoeder was maar net aan de dood ontsnapt en lag in het ziekenhuis.. In de maand december konden mijn moeder en ik onverwacht uit Bandung vertrekken naar mijn vader in India. Spoorslags en in aller ijl werden wij in een legertruck geladen en in convooi door gevaarlijk gebied naar het vliegveld gebracht, waar de Dakota stond die ons naar Batavia zou brengen. Tijd voor een uitgebreid afscheid was er niet. Plotseling weg van mijn grootmoeder moet ik gedacht hebben, dat vertrouwde gezicht zal ik nooit meer terugzien, die lieve oma met haar grote, bezorgde bruine ogen, boordevol onvoorwaardelijke liefde, voor altijd gaan wij weg van haar; als kleuter had ik nog maar een heel beperkte tijdshorizon.
Ik kan mij dat overhaaste vertrek niet in beelden herinneren, maar als een pijnlijke gevoelslaag moet het naar de diepte zijn gezonken. Een onbegrepen pijn die ik later weer met opium trachtte te lenigen.

Nu meer dan zestig jaar later stromen de tranen over dat afscheid.

8 sept 2008

 

Geef een reactie

engelen

engelen

de liefde splinters bliksem
boorden zich in zand, engelzaad
dat was ooit voor het begin

nu hokken verloren achter uniformen van leerhuid
verscholen in karaktervlees de engelen,
vergeten achter maskers van staal,
gezegeld met rode hars
gedoofd in pluche bandages,
smeulen ze nog
schroeien een pijnpunt
een steek in de zon
een barm in het hart

ook in mij in jou
boezemen ze ruimte
bloesemen uitslag
zweren ze geestig de leegte
ijlen een rebus

vrij me ijver me los verlos mij

Geef een reactie

royal

Royal
Ik droomde vannacht dat ik moest schrijven, iets van memoires of zo;hoe zou ik dat doen, schrijven, typen, de computer? Ik keek om mij heen en ik koos voor het oude typemachientje van mijn ouders, dat toen ik in mijn jonge jaren op kamers ging van mijn vader mocht meenemen; ik heb het nog jaren gebruikt. Een bewuste keuze want ook in de droom al dacht ik aan mijn computer als tekstverwerkmogelijkheid maar verwierp die om een mij niet onthulde reden.
Daar stond het trouwe oude ding van blinkend zwart metaal.
Ik schoof witte vellen in mijn typmachien, merkwaardigerwijs een aantal vellen op elkaar, maar zonder carbonpapier, een heel katern tegelijk, de gril van de droom. Ik typte de eerste zin. Maar het was onleesbaar wat er op het papier kwam. Toen ik nog eens goed keek zag ik dat er Hebreeuwse letters stonden; het was een typmachien voor Hebreeuws, bleek nu. Wonderlijk, zonder het te weten had ik een typemachine gebruikt, waarin de Hebreeuwse fonts in lood op de letterhamers stonden. Maar zie er was nog een typemachien: dát was het oude typemachientje, dat braaf een metertje ernaast op het tafelbladstond!

Het apparaat stamde nog van net voor de Tweede Wereldoorlog en het merk was Royal. Het was een portable en hij paste keurig in een donkergrijze vierkant koffertje met twee blikken sloten. Zo is hij meegegaan naar Indonesië in 1949, waar hij twee jaar lang de brieven van mijn vader en moeder naar hún ouders heeft op het dunne luchtpostpapier heeft vorm gegeven. Als apotheose van zijn nuttig bestaan heeft hij nog mijn eerste gedichten geboekstaafd. Ik heb hem dacht ik nog meegenomen van Den Haag naar Nijmegen, waar hij in de loop van de zeventiger jaren plaats moest maken voor een modernere machine, een groot en zwaar grijs gevaarte. Dat apparaat werd in de tachtiger jaren weer vervangen door een electrische schrijfmachine, die waarachtig al een klein geheugentje had, waarmee hij één zin kon onthouden. Anno 1993 kwam dan de eerste kleine IBM-computer, die ik voornamelijk als tekstverweker gebruikte.
In 2000 kwam de volwaardige computer met Windows 98 en internet en brak het nieuwe tijdperk aan,in het kader waarvan ook dit stuk onder uw ogen komt.
Waar de Royal is gebleven weet ik niet meer; het lijkt alsof hij in de lucht is opgelost, maar hij zal wel een keer met het grof vuil zijn meegegaan of heb ik hem aan een nichtje of neefje gegeven?
Gek, nu heb ik heimwee naar hem, alsof hij het geheim van een nog onbeschreven leven al in zich droeg.

Comments (1)